Over dit hoofdstuk/artikel

Marco Entrop


over Amsterdam


+
Marco Entrop (1956) is redacteur van De Parelduiker. Hij publiceerde eerder over dada, in het vorige nummer over het laatste dada-optreden van Kurt Schwitters in Nederland.
1
Bijlage bij een ongedateerde brief [medio september 1922] van Van Doesburg aan Tzara, in: K. Schippers, Holland Dada. Tweede, geheel herziene druk (Amstersdam 2000), p. 185.
2
Van Doesburg aan Tzara, d.d. 3 februari 1923, in: Schippers, op. cit. (noot 1), p. 188.
3
De (titelloze) toespraak is opgenomen in: Tristan Tzara, OEuvres complètes, vol. iv: 1947-1963. Texte établi, présenté et annoté par Henri Béhar (Parijs 1980), p. 557-558. In zijn openingswoord richtte Tzara zich speciaal tot museumdirecteur Willem Sandberg en zijn adjunct Hans Jaffé, die de tentoonstelling mogelijk hadden gemaakt.
4
Van onze kunstredactie, ‘Tristan Tzara in Amsterdam’, in: Het Vrije Volk, maandag 22 december 1958, p. 2.
5
Telefonische mededeling van Gerrit Kouwenaar, d.d. 9 oktober 2007.
6
Eelke de Jong, ‘Tristan Tzara glimlacht: Dada is dood’, in: De Telegraaf, zaterdag 22 juni 1957, p. 13. De meest curieuze faux pas in het artikel is De Jongs opmerking als zou het dadaïsme in Nederland zijn gepropageerd door ‘de gebroeders Van Doesburg’.
7
Dat niet iedereen meer wist wie Tzara was, bleek uit het later dat jaar verschenen verslagboek van het pen-congres. Internationaal secretaris David Carver noteerde over de activiteiten van de Nederlandse pen-club: ‘Not only have our hosts of the Netherlands Centre faced the task of organising this Congress, they have also carried on their normal full programme of meetings. […] Among the distinguished visitors received was Madame [cursivering van mij, ME] Tristan Tzara who discussed the work of Picasso and modern French Poetry.’ Report 26th International Congress of the P.E.N., Amsterdam 1954, June 20th-26th. Compte-rendu 26e Congrès International des clubs P.E.N., Amsterdam 1954, 20 au 26 juin [z. pl.] [z.j.], p. 40-41.
8
Telefonische mededeling van Gerrit Kouwenaar, d.d. 9 oktober 2007. Elburg had van Tzara het gedicht ‘Parler seul’ vertaald, dat als ‘Alleen spreken’ was verschenen in: Ad Interim. Maandblad voor Letterkunde, jg. 6 (1949), nr. 8-9 (augustus-september), p. 257-258.
9
Picasso, 200 opere dal 1920 al 1953 was de grootste expositie van het werk van Picasso tot dan toe en omvatte 35 jaar van zijn artistieke leven. De tentoonstelling werd geopend op 5 mei 1953 en wegens succes in juni met een maand verlengd.
10
Tristan Tzara, ‘Picasso et la poésie’, in: Tzara, op. cit. (noot 3), p. 380-406. Het slotgedeelte van de lezing verscheen onder de titel ‘Picasso en de poëzie’ in De Groene Amsterdammer van zaterdag 15 mei 1954, p. 13. Opmerkelijk hierbij is de voor Tzara weinig vleiende inleiding door kunstredacteur Jac. van der Ster, die liet blijken maar weinig op te hebben met de dichter en zijn opvattingen.
11
Guillaume Apollinaire, Alcools. Suivi de reproductions inédites des premières épreuves, corrigées de la main d’Apollinaire. Commentées et annotées par Tristan Tzara (Parijs 1953).
12
Van onze kunstredactie, ‘Tristan Tzara – uitvinder van “Dada” – in ons land. Opruiende literaire leider werd fel-geïnteresseerde toeschouwer’, in: Het Parool, maandag 10 mei 1954, p. 4 en R.F.R [= Richter Frederik Roegholt], ‘Gesprek tussen totempalen. Tristan Tzara, (vader van experimentele nonsenskunst) “Poëzie wordt weer stem van het volk”’, in: Het Vrije Volk, donderdag 13 mei 1954, p. 9
13
‘Bloeiend weekeinde’, in: Algemeen Handelsblad, zaterdag 8 mei 1954, p. 3.
14
Mathilde Visser aan Louis Aragon, ongedateerde conceptbrief [voorjaar 1954]. Archief Mathilde Visser, Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Den Haag (inv. nr. 243), doos 4. Visser woonde sinds 1952 in het Noord-Hollandse Laren, in een riante villa (Hoog Hoefloo 29) die zij door de architect Hein Salomonson (1910-1994) had laten ontwerpen. Toen Tzara de dadatentoonstelling in Amsterdam kwam openen, verleende Visser hem eveneens gastvrijheid.
15
Cathérine van Houts, ‘Picasso zei niet veel, maar die ogen… Til Visser, grande dame in kunstwereld’, in: Het Parool, donderdag 6 januari 1983, p. 11. Over haar kleurrijke verleden is Visser meermalen geïnterviewd, onder anderen door Betty van Garrel, ‘Het avontuurlijke kunstleven van Mathilde Visser’, in: Haagse Post, 1 februari 1975, p. 38-41; A.J. Wiggelaar, ‘Mathilde Visser’, in: Het Financieele Dagblad, vrijdag 7 februari 1975, p. 11; William Rothuizen, ‘Til Visser en het surrealisme. Herinneringen aan een streng gezelschap’, in: Haagse Post, 29 oktober 1983, p. 80-84 en Yvonne Gnirrep, ‘6 cent en een kopje thee. Mathilde Visser, kunstcritica’, in: De Waarheid, vrijdag 22 maart 1985, p. 7.
16
Suggestie van Max Nord (†), telefonische mededeling, d.d. 6 december 2007.
17
Dat de interviewer de oneliner ‘Tout ce qu’on regarde est faux’ van dertig jaar geleden dateert, is niet juist maar wel begrijpelijk. Hij had waarschijnlijk Sept manifestes dada geraadpleegd, waarin Tzara zijn manifesten uit de jaren 1916 tot 1920 had ondergebracht. Dat is een publicatie uit 1924.
18
De Picasso-tentoonstelling zou van 9 juni tot 27 september 1954 worden gehouden in het Maison de la Pensée Française in Parijs. Er zouden schilderijen te zien zijn uit zijn vroegste periode, het merendeel uit Russisch bezit. Het ging niet, zoals Tzara beweerde, om twaalf schilderijen, maar om in totaal 37 werken uit Rusland, 28 afkomstig uit musea in Leningrad en Moskou en negen uit particulier bezit. Op 6 juli 1954 werd de tentoonstelling overhaast voor het publiek gesloten, nadat de doeken waren opgeëist door de in Parijs wonende dochter van een Russische verzamelaar. De ambassade haalde daarop in allerijl de werken van Picasso weg. Op 24 juli heropende de expositie, zonder de Russische Picasso’s.
19
La face intérieure (met een frontispice van Fernand Léger) is niet echt een bundel, maar bevat één lang gedicht dat Tzara had geschreven tussen 1937 en 1942.
20
L’Égypte face à face verscheen bij uitgeverij La guilde du livre in Lausanne. Het aandeel van Tzara aan dit boek bestond uit teksten bij foto’s van de Hongaarse fotograaf Étienne Sved (1914-1996).
21
Hiervan zou alleen zijn voorwoord bij de gedichten van Villon in boekvorm verschijnen, zij het postuum (François Villon, Poésies. Préface de Tristan Tzara. Édition établie, présentée et annotée par Jean Dufournet [Parijs 1973]). Inzake de naam Villon is ook een misverstand mogelijk. In 1955 publiceerde Tzara de bundel prozagedichten Miennes, met etsen van Jacques Villon (1875-1963).
22
Politiek stond Tzara ter linkerzijde. Hij was communist, net als Mathilde Visser overigens. Dat hij vragen over politieke kwesties ontweek, was op dat moment niet zo verwonderlijk. Op 7 mei 1954 was Dien Bien Phoe, de Franse legerplaats in Indo-China, na een slopende en bloedige strijd in handen gevallen van de Noord-Vietnamese Viethminh. Het verlies aan manschappen was enorm. Een dag later werd in Frankrijk een dag van nationale rouw afgekondigd.
23
Van Garrel, op. cit. (noot 15), p. 39.
24
De dichter Apollinaire had al in 1909 gepleit voor een speciale afdeling negerkunst in het Louvre. Het zou evenwel tot 2000 duren voordat die er daadwerkelijk kwam. Guillaume Apollinaire, ‘Sur les musées’, in: OEuvres en prose complètes II. Textes établis, présentés et annotés par Pierre Caizergues et Michel Décaudin (Parijs 1991), p. 122-124. Oorspronkelijk in: Le Journal du soir, 3 oktober 1909. Op 13 april 2000 opende president Chirac het Pavillon des Sessions, de tentoonstellingsruimte in het Louvre voor ‘primitieve kunst’.
25
Het gedicht “Liberté” van Paul Éluard (1895-1952), uit de bundel Poésie et vérité (1942), verwierf cultstatus doordat het, na in verzetskringen te hebben gecirculeerd, in duizenden exemplaren door piloten van de Royal Air Force boven bezet Frankrijk werd uitgestrooid (Paul Éluard, OEuvres complètes I. Édition établie par Marcelle Dumas et Lucien Scheler [Parijs 1968], p. 1608). Dankzij Adriaan Morriën kreeg “Liberté” ook in Nederland verspreiding: hij zette het gedicht pontificaal op de voorkant van het eerste nummer van zijn tijdschrift Litterair Paspoort, dat in januari 1946 verscheen.
26
Richter Roegholt wist blijkbaar niet dat Tzara afkomstig was uit een familie van Roemeense joden en in werkelijkheid Samuel Rosenstock heette. Een ‘ontmoeting’ tussen Tzara en de Dokwerker, het herdenkingsmonument van Mari Andriessen op het Jonas Daniël Meijerplein, lag in de lijn van het gesprek: in de oorlog was de dadaïst actief geweest in het verzet.
27
Het is niet waar dat de in 1918 overleden ‘profeet van de moderne kunst’ de eerste gedichten van Tzara heeft gepubliceerd. Apollinaire had poëzie van Tzara zullen opnemen in een door hem op te richten tijdschrift. Doordat het blad maar niet van de grond wilde komen, speelde Apollinaire de verzen door naar Nord-Sud en SIC, aan welke avant-gardetijdschriften hij als medewerker was verbonden (Tzara, op. cit. [noot 3], vol. 1: 1912-1925 [Parijs 1975], p. 642). Zowel Nord-Sud als SIC nam in jaargang 1917 twee gedichten van Tzara op.
28
Bastiaan van der Velden, ‘Je suis revenu de Hollande. Guillaume Apollinaire en Nederland: reizen, contacten en receptie’, in: Dick Adelaar, Michiel Roding en Gregor Laschen (red.), Apollinaire. Woordvoerder van de avantgarde – Avantgardist van het woord (Heino-Wijhe 1999), p. 14-33.
29
Zie noot 11.
30
Tristan Tzara, ‘Paul Eluard en de broederlijke beelden’, in: Kroniek van Kunsten Kultuur, jg. 14 (1954), nr. 5 (mei), p. 73-75. Verschenen als ‘Paul Éluard et les images fraternelles’, in: Les Lettres françaises, nr. 594, 17-23 november 1955. Ook in: Tzara, op. cit. (noot 3), vol. v: 1924-1963 (Parijs 1982), p. 217-222.