Over dit hoofdstuk/artikel

Wim van der Meij

over Louis Couperus

over L.S.A.M. von Römer

over H.W. van Tricht


5 november 1961


+
W.A. van der Meij (1956) studeerde Bibliotheek en Documentaire Informatie aan de Algemene Hogeschool van Amsterdam en Boek- en Informatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is thans werkzaam als documentalist.
1
Zie ook Maurice van Lieshout, ‘Op zoek naar de bibliotheek van Lucien von Romer’, in: De Boekenwereld, jrg. 10, nr. 1 (september 1993), p. 3-12. Een paar jaar na zijn dood werd een groot deel van Von Römers boekenbezit geschonken aan de Universiteit van Denpasssar op Bali. Wat overbleef na het overlijden van de weduwe in 1981 – hoofdzakelijk bellettrie – is door Von Romers zoon Djayo weggegeven aan vrienden.
2
Zie voor een beknopt overzicht van Von Romers leven en werk: Maurice van Lieshout, ‘Het ongekende leed van een tropendokter. Lucien von Römer (1873-1965)’, in: Pijlen van naamloze liefde. Pioniers van de homo-emancipatie, red. Hans Hafkamp en Maurice van Lieshout (1988), p. 89-95. Aan dit artikel heb ik veel van mijn gegevens ontleend. Zie ook Maurice van Lieshout, ‘Stiefkind der natuur. Het homobeeld bij Aletrino en Von Romer’, in: Homojaarboek 1 (1981), p. 75-105.
3
Zie het levensbericht van ‘Hendrik Willem van Tricht’ dat E.E. van Tricht-Keesing publiceerde in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1982-1983, p. 140-148.
4
Zie noot 17.
5
Dat geldt ook voor de ‘verbeterde herdruk van de 2e druk’, die in 1980 bij Reflex in Utrecht is verschenen.
6
Van Tricht geeft helaas geen bron voor deze bewering. Het kan niet gaan om Leven en werk van Louis Couperus, de levensbeschrijving door Henri van Booven uit 1933, aangezien daarin elke associatie met Von Römer en dus het onderwerp homoseksualiteit angstvallig verzwegen is – mede op aandrang van Elisabeth.
7
Zie Pim Lukkenaer, ‘De omrankte staf. Couperus’ Dionyzos als sleutel tot het antieke werk’, in: Bzzlletin 132 (januari 1986), p. 29-42.
8
Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie (1987), p. 292. In zijn proefschrift uit 1989, De omrankte staf. Couperus’ Antieke werk deel 1: van ‘Dionysos’ tot ‘Herakles’ bleef Lukkenaer, merkwaardig genoeg, bij zijn verkeerde veronderstelling.
9
Idem, p. 753, noot 2.
10
Idem, p. 317.
11
Het valt op dat deze, door Von Römer aangehaalde zin ook inderdaad is geschrapt uit de tweede druk van Van Trichts Louis Couperus. Een verkenning.
12
Nadat de naam van Jonkheer J.H. Ram voluit genoemd werd in een brief van Couperus aan zijn uitgever Veen, gepubliceerd in het speciale Maatstaf-nummer Louis Couperus als briefschrijver (jrg. 11, nr. 3-4, juni/juli 1963), achtte Van Tricht zich ontslagen van de belofte van geheimhouding die hij ooit aan Van Booven had gedaan: in de tweede druk van zijn Louis Couperus. Een verkenning spreekt Van Tricht dan ook van ‘Ram’ (zie in het bijzonder aldaar noot 8, p. 221).
13
Over het ontstaan van de naam Quaerts, een van de twee hoofdfiguren uit Couperus’ roman Extaze (1892) en algemeen geïdentificeerd als evenbeeld van Jhr. Ram, schreef Van Tricht: ‘in de schijnbaar harde officier R… lag een schat van zielsverfijning verborgen als edel metaal in kwarts’ (eerste druk, p. 83). Dat ‘edel metaal’ zag Von Römer dus terug in Rams familiewapen.
14
Zie verder over Jonkheer Ram: Paul Snijders, Jhr. J.H. Ram. Indirect licht op Louis Couperus (1983), en idem. ‘Een talent voor vriendschap. Johan Ram en Louis Couperus’, in: De Parelduiker, jrg. 1, nr. 2, p. 26-36.
15
Deze eerste homo-organisatie ter wereld werd op 15 mei 1897 in Berlijn opgericht door o.a. de jurist E. Oberg, de schrijver F.J. von Bülow en de arts Magnus Hirschfeld. In juni 1933 hief de organisatie zichzelf op, om de nazi’s voor te zijn. Het ‘Komitee’ oefende wetenschappelijke en politieke druk uit ter verdediging van homoseksuelen. In 1912 was Von Römer een van de mede-oprichters van de Nederlandse afdeling van het ‘Komitee’. Zie ook Manfred Herzer, ‘De moeder van de Duitse homobeweging. Magnus Hirschfeld (1868-1934)’, in: Pijlen van naamloze liefde (zie noot 2), p. 74-82.
16
De praktijk van L.S.A.M. von Römer was gevestigd op de Leidschegracht 118, bij de Marnixstraat.
17
Met ‘Baas’ wordt Barend van Tricht (1885-1954), broer van Hendrik Willem, bedoeld. Barend van Tricht was arts in Batavia, toen Von Römer daar in 1912 aankwam. Hij werd hoofd van het Rode Kruis in Indië, wat hem vermoedelijk zijn bijnaam heeft opgeleverd. Aan de brief van Von Römer valt af te lezen dat hij en Barend van Tricht elkaar gekend moeten hebben. Het is niet ondenkbaar dat Von Römer bij de uitvaart van Barend kennis heeft gemaakt met H.W. van Tricht en dat toen ook al over Couperus is gesproken. Wellicht is daarna een correspondentie op gang gekomen. Feit is dat Von Römer in 1955 zijn Couperus-archief buiten het legaat aan het Algemeen Rijksarchief liet.
18
Dun wandelstokje.
19
Von Römer maakte een Nederlandse vertaling van Nietzsches Also sprach Zarathustra, die in 1905 verscheen en in 1913 en 1921 herdrukt werd. In zijn inleiding (p. ix, eerste dr.) spreekt Von Römer lof uit voor Couperus’ Dionyzos.
20
Hier vergist Von Römer zich: gezien de chronologie kan hier alleen 1905 bedoeld zijn.
21
Zie over deze kwestie het vervolg van dit artikel.
22
Verwijfde.
23
Von Römer doelt hier op de zogeheten ‘Indische zedenaffaire’ uit 1938-’39. Zie ook Van Lieshout, ‘Tropendokter’ (zie noot 2), p. 94.
24
Von Römer wist natuurlijk heel goed dat Van Tricht de bezorger was van de negen delen Mijn dagboek van Frederik van Eeden, die tussen 1931 en 1946 gepubliceerd werden.
25
Uit – hier weggelaten – aanduidingen blijkt dat Von Römer zijn brief dd. 5 november 1961 niet in één ruk schreef, maar het typen ervan hernam op 10 en 20 november.
26
Deze foto’s zijn helaas niet teruggevonden.
27
Bastet, Biografie (zie noot 8), p. 317.
28
Met dank aan prof.dr. H.T.M. van Vliet, die mij op het bestaan van deze brief (in het Veen-archief in het Letterkundig Museum) attent maakte.
29
Lat.: men verontschuldige de uitdrukking.
30
Om welk boek uit het bezit van Von Römer het hier is gegaan, heb ik niet kunnen achterhalen.