Over dit hoofdstuk/artikel

Marco Entrop

over Piet Mondriaan

over Eva de Beneditty


+
Marco Entrop (1956), redacteur van De Parelduiker, belichtte in het vorige nummer de dada-veldtocht in Nederland.
+
Met dank aan Peter Paul Huf (Amstelveen), die, even genereus als enthousiast, het dagboek van zijn grootmoeder voor dit artikel ter beschikking stelde en tevens zijn professionele medewerking verleende bij het reproduceren van de hier afgebeelde foto’s uit het familiearchief.
1
Enkele fragmenten werden eerder gepubliceerd door haar dochter Emmy Huf, ‘Piet Mondriaan met andere ogen bekeken’, in: Accent, 12 augustus 1972, p. 26-27, en door Ageeth Scherphuis, ‘Vrienden over zijn vrouwen, zijn smaak, zijn armoede’, in: Vrij Nederland, 17 december 1994, p. 70-75. De Beneditty’s dagboek werd, voor het eerst, geexposeerd op de tentoonstelling Mondriaan aan de Amstel 1892-1912 (Gemeentearchief Amsterdam, 18 februari-15 mei 1994). Zie: Lucette ter Borg, ‘“Te zitten waar hij leeft en ademt!” Ontroerende documenten over Mondriaan in Amsterdam’, in: nrc Handelsblad, 26 februari 1994, p. 7.
2
Max Dendermonde, Mondriaan, de man die de charleston danste (Baarn 1994).
3
Marty Bax, ‘Mondriaan en zijn vrienden’, in: Robert Welsh, e.a., Mondriaan aan de Amstel 1892-1912 (Amsterdam 1994), p. 31 en idem, ‘De passies van Piet Mondriaan’, in: Jong Holland, jrg. 10 (1994), nr. 2, p. 32-41. Voor de levensloop en het werk van Mondriaan steunt dit artikel verder hoofdzakelijk op: Joop M. Joosten en Robert P. Welsh (red.), Piet Mondrian. Catalogue raisonné (Blaricum-Parijs 1998), 3 dln.
4
Henriëtte Mooy, Maalstroom, eerste deel: Van de ankers (Amsterdam 1927); tweede deel: Zwalkend (Amsterdam 1928); derde deel: Havenzicht (Amsterdam 1930). Zie: Marco Entrop, ‘Een schilder verliefd. Mondriaan op vrijersvoeten’, in: J. de Bruijn, e.a. (red.), Een vreemde man, en die ons vreemd ontviel. Liber amicorum voor E.W.A. Henssen (1950-1999) (Amsterdam 2000), p. 268-279.
5
Over het huwelijk van haar ouders schreef Emmy Huf het boekje …Ik wil nu warm vlees! Een Jiddisch-Katholische Komedie (Amsterdam-Assen 1970). Zie ook: ‘Emmy Huf’, in: Michel van der Plas, Jeugdherinneringen van… (Baarn 1987), p. 74-88. Herdrukt in: idem, Vader en moeder. Kinderen over hun beroemde ouders (Baarn 1993), p. 82-96. De hierna volgende gegevens zijn ontleend aan de geboorteregisters, gezinskaarten, woningboeken, et cetera in het Gemeentearchief Amsterdam, het Gemeentearchief Rotterdam en het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag.
6
Garmt Stuiveling, Het korte leven van Jacques Perk. Een biografie (Amsterdam 1957), p. 146.
7
In Louis Saalborns autobiografische roman De vader en de zoon (Amsterdam 1934) komen Jeannette (1861-1927) en Joséphine (1859-1931) de Groot voor onder de namen Rebecca en Martha David. Hun zwager Elias is vermoedelijk getekend naar Abraham de Beneditty, die als de pater familias wordt beschouwd: ‘de knapste man uit de familie, een vroom, zeer onderlegd Portugees, bij wien de heele familie om raad vroeg als er moeilijkheden waren’ (p. 57). Ook Elias handelt in effecten.
8
Mededeling Paul Huf, Scherphuis, op. cit. (noot 1), p. 75.
9
Nochem de Beneditty, Ouderlijke macht en kinderbescherming (Amsterdam 1910).
10
Schilderijen en teekeningen door C. Spoor, Piet Mondriaan en Jan Sluyters, Stedelijk Museum Amsterdam, 6-31 januari 1909. ‘Zij is tot nu toe door ruim 3000 personen bezocht, wel een bewijs dat zij de aandacht heeft getrokken.’ Algemeen Handelsblad (Avondblad), 29 januari 1909, tweede blad, p. 7.
11
C.L. Dake, ‘Schilderkunst: Drie avonturiers in het Stedelijk Museum’, in: De Telegraaf, 8 januari 1909. Op de tentoonstelling Mondriaan. op weg naar abstractie (Gemeentemuseum Den Haag, 21 december 2002-20 april 2003) werd die ‘middenzaal’ voor een belangrijk deel gereconstrueerd, in totaal negen schilderijen waaronder twee zelfportretten.
12
19 de Jaarlijksche Tentoonstelling, Amsterdam: Stedelijk Museum, 11 april-16 mei 1909.
13
‘Op 15-jarigen leeftijd kreeg ik eenige wenken van mijn vriend Piet Mondriaan, die in mij iemand van zijn richting voelde […].’ Brief van Louis Saalborn aan Alb. Plasschaert, d.d. 6 december 1911 (Collectie Rijksbureau Kunsthistorische Documentatie, Den Haag). In De vader en de zoon (op. cit. noot 7), p. 136-137 en p. 141-143, beschrijft Saalborn zijn vriendschap met Mondriaan. Zie ook: Louis Saalborn, ‘Mondriaan zag in mij de schilder’, in: De Telegraaf, 12 maart 1955, en ‘Herinnering aan Mondriaan’, in: idem, 17 maart 1955.
14
Zie noot 8. Volgens Paul Huf is de chrysant via een Nederlandse kunsthandelaar rechtstreeks doorverkocht naar New York. Aangenomen dat Emmy Huf de tekening na de dood van haar moeder te gelde heeft gemaakt, kan, met een slag om de arm, de chrysant die is beschreven onder nummer c78 in Joosten en Welsh, op. cit. (noot 3), ii, p. 485, als het exemplaar van De Beneditty worden geidentificeerd.
15
Joosten en Welsh, op. cit. (noot 3), i, p. 400 (a600) en p. 403 (a608); ii, p. 484 (C 76).
16
Citaat uit de advertentie in het Algemeen Handelsblad (Avondblad), 16 januari 1909, eerste blad, p. 3. Het Wiener Operetten-Ensemble van Miksa Préger gaf in januari en februari 1909 een zevental voorstellingen van Der tapfere Soldat in Amsterdam: op donderdag 21 januari, zaterdag 23 januari, donderdag 4 februari en maandag 8 februari in de Stadsschouwburg en op donderdag 11, dinsdag 23 en zondag 28 februari in het Grand Théâtre in de Amstelstraat.
17
Zie noot 8.
18
Joosten en Welsh, op. cit (noot 3), 1, p. 128.
19
Huf, op. cit. (noot 1), p 26.
20
Joosten en Welsh, op. cit. (noot 3), 1, p. 128.
21
Uitgevoerd door het Concertgebouworkest onder leiding van Evert Cornelis, met als solist de violist Johan Christiaan Herbschleb. Aankondiging in het Algemeen Handelsblad (Avondblad), 22 mei 1909, eerste blad, p. 3.
22
Gedurende het najaar van 1910 en het voorjaar van 1911 verbleef Mondriaan geregeld in Oegstgeest, waar hij bacteriologische tekeningen maakte in opdracht van R.P. van Calcar, hoogleraar in de bacteriologie en gezondheidsleer aan de Rijksuniversiteit te Leiden, en een oude kennis van hem. Joosten en Welsh, op. cit. (noot 3), I, p. 131.
23
Dit dagboek is grotendeels in het Engels, volgens Eva omdat ze de taal wilde oefenen Op 13 oktober 1910 schrijft ze dat ze over een paar jaar voor korte tijd in Engeland gaat wonen, ‘that’s wanted’.