Over dit hoofdstuk/artikel

Marco Entrop

Maurits Verhoeff

over Wilhelm Loeb


+
Marco Entrop (1956) publiceerde eerder in De Parelduiker over Francis Picabia en Paul van Ostaijen.
Maurits Verhoeff (1966) publiceerde eerder in De Parelduiker over Theo Thijssen en Nescio.
1
J. Greshoff, ‘Willem Loeb, een klassiek buitenstaander’, in: Het Vaderland, 8 december 1956.
2
V.E. van Vriesland, ‘Ter inleiding’, in: W. Loeb, Kleine biosofie. Honderd aforismen, ‘s-Gravenhage 1956, p. 5-9. Onder de titel ‘Inleiding tot een ontheemde’ ook in: V.E van Vriesland, Onderzoek en vertoog. Verzameld critisch en essayistisch proza, Amsterdam 1958, p. 694-697.
3
Greshoff, op. cit. (noot 1).
4
De titel stond al vast: Het Joodsche Volk. Tijdschrift voor het nieuwe Joodsche leven. Brief van W. Loeb aan een (onbekende) medestander, d.d. 9 januari 1914. Archief W. Loeb (sign. L 9611), Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Den Haag.
5
‘Noodzakelijke beschouwingen (bij wijze van overbodige inleiding)’, in: W. Loeb, Tertio, Amsterdam 1932, p. 1-17.
6
Brief van W. Loeb aan Benno J. Stokvis, d.d. 7 mei 1926. Archief B.J. Stokvis (nr. 736, inv. 26), Gemeentearchief Amsterdam.
7
Zo verscheen in 1932 zijn ‘noodzakelijke beschouwing’ St vis pacem. Als gij den vrede wilt!, waarin Loeb zich fel keerde tegen de Kerk, het militarisme en het kapitalisme.
8
Anoniem, ‘Wordt Van der Lubbe vergiftigd? De meening van zijn Hollandsche vrienden over het proces’, in Het Volk 7 oktober 1933. Dat Duitsland definitief voor hem had afgedaan, liet Loeb in 1940 merken. ‘Wilhelm is dood’, schreef hij op 23 mei 1940 aan Greshoff (Archief W. Loeb, op.cit. [noot 4]). Na de Duitse inval in Nederland weigerde Loeb zich nog langer Wilhelm te noemen. Al zijn publicaties en brieven ondertekende hij nadien met Willem Loeb.
9
De laatste grote rechtszaak waarbij Loeb als raadsman optrad, was het destijds geruchtmakende Nijenrode-proces. In deze grootscheepse oplichtingszaak, die tussen 1934 en 1937 voor de Amsterdamse rechtbank in behandeling was, verdedigde Loeb een tweetal verdachten.
10
In een ongedateerde, maar waarschijnlijk in 1939 geschreven brief aan V. van Vriesland. Archief W. Loeb, op. cit. (noot 4). Alle hier geciteerde brieven van Loeb aan Van Vriesland bevinden zich in deze collectie.
11
Op 3 april 1936 berichtte de Nieuwe Rotterdamsche Courant over de op handen zijnde verschijning van Mijn eigen tijdschrift. Aan de binnenzijde van het omslag van No. 3 drukte de uitgever de mededeling af dat ‘Door vacantie en uitstedigheid van den schrijver’ er enige vertraging was opgetreden in de uitgave.
12
Zie: Tertio, op. cit. (noot 5), p. 65. In Loebs nalatenschap bevindt zich een 33 pagina’s tellend typoscript van de roman. Van de in totaal 19 hoofdstukken zijn de eerste 9 in Mijn eigen tijdschrift gepubliceerd.
13
Van Vriesland, op. cit. (noot 2), p. 9.
14
Ook Loebs eerste vrouw, Flora Polak, overleefde het concentratiekamp niet. Zij kwam op 11 februari 1944 om in Auschwitz.