Over dit hoofdstuk/artikel

Marco Daane

over Mau Marssen


+
marco daane (1959) is redacteur van De Parelduiker. Hij publiceerde eerder diverse artikelen en boeken over Vlaamse schrijvers en Britse literaire onderwerpen.
1
The Observer, 26 juli 2009.
2
In het Letterenhuis, het Vlaams letterkundig museum in Antwerpen, komt de naam Mau Marssen c.q. Maurice Mus zelfs niet in de catalogus Agrippa voor. Veel data, adressen en bibliografische details in dit artikel zijn ontleend aan een publicatie van de Brugse heemkundige Hendrik Demarest: ‘Musten Mis te gast bij de mafia’, uitgegeven als nrs. 5-6-7-8 (mei-juni-juli-augustus 1990) van de Brugse Gidsenkroniek, jaargang 23. Dit is tevens een aangevulde overdruk uit Koerier van de Beer, april 1978. Gemakkelijker te vinden is zijn samenvatting hiervan in Brugse mensen in de buurschap Langestraat (Brugge 1982), p. 66-67.
3
De man die koud bleef (Brugge [1926]), p. 7.
4
Het pand herbergt nog steeds horeca, in de gedaante van het restaurant Den Amand.
5
In de gevel van een gebouw op de hoek van de Akademiestraat en het Jan van Eyckplein bevindt zich in een nis een stenen beeld dat Brugges oudste inwoner voorstelt: Beertje van de Loge, oftewel van de Poorterslogie, het Corporatiehuis van de poorters en kooplieden van de stad Brugge.
6
Vlaamsche Arbeid 12 (1927), p. 191-192.
7
Maurits Van Coppenolle, Figuren uit Het Brugsche (Brugge 1936).
8
Geert Grub, ‘De verloren schaapjes door Mau Marssen’. In: Kruispunt-Sumier nr. 39 (september 1971), [p. 44-45].
9
Nieuwe Rotterdamsche Courant, 26 november 1928 (ook in Modern, al te modern. Critiek der Vlaamsche poëzie 1923-1930, Kortrijk 1931, p. 94).
10
‘Vlaamsch Erts.’ In: De Stem 9 (1929), p. 151-157.
11
Jong Dietschland 3 (1929), p. 78.
12
In Seinen 1 (1931) 1, p. 9 wordt de verschijning ervan in De Tribune vermeld. Ondanks herhaalde naspeuringen is deze publicatie niet gevonden.
13
Eric Van Hove, ‘Hugo Vrielinck: een bewogen leven.’ In: Het Nieuwsblad, 21/22 oktober 1989.
14
Karel Jonckheere, Waar plant ik mijn ezel? (Brussel/Den Haag 1974), p. 127-128. Zie verder over dit gezelschap: Marco Daane, ‘Een vluchtig geheim. Leven en werken van de “Brugse Maffia”.’ In: Vlaanderen 52 (2003) 295 (april), p. 113-121.
15
Hendrik Demarest meldt hem ook daarna nog in almanakken te hebben aangetroffen als Mus, herbergier, St. Amandsstraat 6 (niet gevonden).
16
André Anny e.a., Het openbaar vervoer te Brugge. I. De stadstram (z.pl., 1994).
17
Henri Demarest, ‘August Stellamans; nog een Christen-Democraat aan het woord.’ In: Brugs Ommeland 19 (1979) 4, p. 315-325; en Ria Barremaecker e.a., Assebroek. Geschiedenis van de Brugse rand. (Brugge [1987]).
18
Brief van Adri(aan) van Renssen aan Hugo Vrielynck d.d. 19 december 1977, geciteerd door Hendrik Demarest in Koerier van de Beer 8 (1978) 2 (april).
19
H. Anten, ’“Niets wordt beschreven, alles is er”. Nijhoff, Du Perron en Constant van Wessems “Bijleveld-bundel”’. In: Traditie en vernieuwing. Opstellen aangeboden aan A.L. Sötemann (Utrecht/Antwerpen 1985), p. 203-213.
20
Brieven E. du Perron aan Constant van Wessem, 19 oktober en 9 november 1930 (Brieven II, Amsterdam 1978). Hij herhaalde zijn visie in zijn recensie van de bundel in Den Gulden Winckel van februari 1931, p. 26 (Verzameld werk II, Amsterdam 1955, p. 268-274; met dank aan Thijs Wierema).
21
Nieuwe Amhemsche Courant, 27 december 1930. Met dank aan Hein Aalders.
22
De Gids 95 (1931) I, 1, p. 137-138.
23
Seinen 1 (1931) 1, p. 9.
24
Twintig Noord- en Zuid-Nederlandse verhalen (Utrecht 1930), p. 310.
25
Marssen moest twee toneelstukken insturen; het andere is meer dan waarschijnlijk Nalatenschap van zonden geweest, dat ook in Twintig Noord- en Zuid-Nederlandse verhalen wordt genoemd. Hij won tevens een geldprijs van 1000 frank. De Morgendstar verplichtte zich ertoe de winnende stukken in 1930 of 1931 uit te voeren. (Letterenhuis, archief De Morgendstar, map M806/D.) Deze toneelmaatschappij bestaat overigens nog steeds.
26
Het tijdschrift vermeldde geen redactie. Vrielyncks huisadres was tevens het redactieadres.
27
Zie over Seinen: Lut Missinne, Kunst en leven, een wankel evenwicht. Ethiek en esthetiek: prozaopvattingen in Vlaamse tijdschriften en weekbladen tijdens het interbellum (1927-1940) (Leuven/Amersfoort 1994); en Renaat Ramon, Geschreven tijd. Literaire en semi-literaire tijdschriften in West-Vlaanderen 1805-2005 (Brugge 2005). Ook van Seinen is in het Letterenhuis geen spoor te vinden.
28
In: Peripatetisch onderricht. Nieuwe kroniek der poëzie (Utrecht/Brussel 1942), p. 63-67.
29
Edward Trips, ‘De maffia.’ In: Brugsch Handelsblad, 14 oktober 1967.
30
‘Spreken met Hugo Vrielynck.’ In: Brugsch Handelsblad, 8 juli 1977.
31
In de Literaire gids voor West-Vlaanderen (Schoten 1985).
32
‘Uit het nabije verleden van een kamervoorzitter. Achille Van Acker. “Toen hij nog lid was van de Brugse Maffia”.’ In: Provinciale Zeeuwsche Courant, 22 januari 1972, p. 16.
33
Mijn woningen. Autobiografisch vierluik (Amsterdam 1997).
34
Vraag me geen leugens (Antwerpen 1986).
35
Citaat in ‘Spreken met Hugo Vrielynck.’ In: Brugsch Handelsblad, 8 juli 1977.
36
Her en der is er sprake van de romans Het beest, Francis van Mander (met Geert Grub), Hadcheck, Oogst van zonden, De stokslager, Verloren brood en De ziener, en de novelle Tips en Taps, of de Zwakheid der Kracht, de Kracht der Zwakheid. Geen ervan lijkt te zijn gepubliceerd.
37
De Garve was geen vrijblijvend clubje. Adriaan van der Veen en Johan Daisne debuteerden er, de reportages van Egon Erwin Kisch werden er voor het eerst in vertaling (van Nico Rost) uitgebracht en verder verschenen er onder meer De klok van Brulez, een zeer succesvolle herdruk van Minnes dichtbundel In den zoeten inval en uitgaven van Multatuli en Poesjkin.
38
Fernand Bonneures Lexicon van Westvlaamse schrijvers (Torhout 1984-1989) geeft als jaartal 1939, maar de novelle werd al in 1938 besproken door J.A. Rispens (zie noot 39).
39
J.A. Rispens, Richtingen en figuren in de Nederlandsche letterkunde na 1880 (Kampen [1938]), p. 424.
40
Mededeling in handschrift door Marssen in een aan D[irk]. de Jong geschonken exemplaar (Koninklijke Bibliotheek Den Haag, afdeling Bijzondere Collecties). Dirk de Jong was een belangrijk collectioneur van literair werk (vaak met opdracht) en later van clandestien drukwerk. Dat zijn exemplaren van Marssens werk zijn overgeleverd, is bijzonder: tijdens het vergissingsbombardement op het Bezuidenhout van 3 maart 1945 ging zijn literaire collectie ‘nagenoeg’ verloren, maar het clandestiene drukwerk bevond zich in een andere kast die gespaard bleef. Piet Calis, ‘Het avontuur van Dirk de Jong.’ In: Berry Dongelmans e.a. (red.), Dierbaar magazijn. De bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (Amsterdam, cop. 1995), p. 143-152.
41
Cf. noot 40, maar dan in een exemplaar van Nuchtere wereld.
42
Karel Jonckheere vatte deze plot samen in Waar plant ik mijn ezel?, p. 127-132.
43
Demarest, Koerier van de Beer 8 (1978) 2 (april).
44
Mededeling in zijn brief aan Hugo Vrielynck (noot 18). Van Renssen heeft het over ‘Alfred (of is het: Albert?) de Pisser’ en Karel Jonckheere over Het Epos van de Pisser, maar de laatste heeft het boekje dus niet ingezien. Edward Trips sprak in het Brugsch Handelsblad van 14 oktober 1967 over De Pisser; Lukas De Vos maakte in zijn dooprede voor Walter Soethoudts memoires Uitgevers komen in de hemel gewag van Oscar de Pisser (http://ansiel.cinebelblogs.be/, 4 maart 2008); helaas lukte het niet met hem daarover in contact te komen.
45
J. Greshoff, Afscheid van Europa. Leven tegen het leven (‘s-Gravenhage / Rotterdam cop. 1969).
46
Het vroegere tramdepot aan het Gaston Roelandtsplein (destijds Gemeenteplaats) bestaat nog steeds en fungeert nu als depot van de stadsbussen. Ronny Standaert, ‘Beknopte geschiedenis van de Brugse tram’. In: Arsbroek Kring Hervé Stalpaert Jaarboek 5 (1988), blz. 80-84.
47
De citaten en gegevens rond Maurice Mus’ oorlogstijd zijn ontleend aan zijn dossier in het archief van het Militair Gerechtshof te Brussel (Paleis van Justitie), Krijgsraad Brugge nr. 2816. (Met dank aan Marcel van den Boogert.)
48
De ot maakte gebruik van particuliere bedrijven. Jan Vincx, Vlaanderen in uniform. Deel 2 (Antwerpen 1981), p. 244.
49
Jos Rondas en Kurt Ravyts, Het Brugse 1940-1945. Deel 3. Het repressieklimaat en de Brugse Krijgsraad (Kortrijk 2001), p. 387 e.v. Rondas en Ravyts citeren uit het tweewekelijks verschijnende Woensdagblad, dat gedetailleerd aandacht schonk aan deze staart van de oorlog. Mus’ terugkeer is er niet in opgetekend.
50
Aanvullende lijst van vermisten d.d. 31 mei 1946. Stukken betreffende de repatriëring van gedeporteerde arbeiders (vrijwillige en verplichte) en krijgsgevangenen, 1945-1947, Stadsarchief Brugge (gemeentearchief Assebroek, nr. 885). Met dank aan Noël Geirnaert.
51
Raymond Brulez schrijft in zijn geromantiseerde memoires Mijn woningen dat Mus ook ‘chauffeur van een Organisation-Todt-Kolonne’ zou zijn geweest, maar daar is in diens dossier geen sprake van.
52
Het Belgisch Staatsblad van 23 oktober 1947 meldt een gevangenisstraf van achttien maanden.
53
Marnix loste later alsnog de verwachtingen in door in Leuven zijn ingenieursgraad te behalen. Hij trad in dienst van het telefoonbedrijf Bell te Antwerpen.
54
Geert Grub, ‘De verloren schaapjes door Mau Marssen.’ In: Kruispunt-Sumier nr. 39 (september 1971), [p. 44-45].
55
Steenbokje nr. 6, [april 1964], 352 blz.; oorspronkelijk uitgegeven door Van Kampen in 1952 op 400 blz.
56
Ludo Simons, Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen. ii. De twintigste eeuw (Tielt 1987).
57
In de blurb van Vrouwelijke monsters werden zijn schuilnamen én ware naam zonder omhaal vermeld. Zie ook Agrippa, de catalogus van het Letterenhuis.
58
Cor Docter in Grossiers in moord en doodslag. Veelschrijvers in Nederland en Vlaanderen (Amsterdam 1997). Van Eck heeft zeven- tot achthonderd titels op zijn verschillende schrijversnamen staan, waaronder ook de stationsromans rond de speurder Jo Durand.
59
Collectie van de auteur.
60
Karel Jonckheere, Waar plant ik mijn ezel?, p. 127-132.
61
De Sint-Jozefstraat is na de fusie van Brugge en de randgemeenten omgedoopt in Vondelstraat.
62
Burgerwelzijn, 18 augustus 1977.
63
Demarest drukte in de Brugse Gidsenkroniek het bidprentje van de familie af, waarin sprake is van ‘een lange lijdensweg’.
64
Brief aan Hugo Vrielynck d.d. 19 december 1977, geciteerd door Demarest in Koerier van de Beer 8 (1978) 2 (april).
65
Plattegrond van de begraafplaats, Stadsarchief Brugge (gemeentearchief Assebroek, nr. 895). Hij lag begraven in vak 39, rechts, graf 21.