Over dit hoofdstuk/artikel

K. Bühler

over André Gide


+
Francis Bulhof (1930) studeerde Frans in Groningen en publiceerde eerder in De Parelduiker over Rutger van Zeijst en Anton Koch.
1
Martinus Nijhoff Brieven aan mijn vrouw. Ed. Andreas Oosthoek (Amsterdam 1996), p. 108.
2
In de jaren zestig en zeventig beleefde deze vertaling een aantal herdrukken.
3
Martinus Nijhoff, Verzameld werk ii (Amsterdam 1982), p. 46 (in een recensie van 3 augustus 1920) en p. 147 (in een recensie van 24 juni 1922).
4
De Stem 9 (1929), deel i, p. 214-230, 321-339, 435-454. De hier en daar gewijzigde tekst van Nijhoff werd pas in 1944 clandestien door Stols uitgegeven als Moer. Narrenspel, in 125 exemplaren met de misleidende datum 1929.
5
Er zijn aanwijzingen dat Du Perron toen al overtuigd werd door de gebundelde kritieken in Prétextes en dat hij in Nice bovendien Paludes kocht (vgl. Kees Snoek, E. du Perron. Het leven van een smalle mens, Amsterdam 2005, p. 317).
6
E. du Perron, Verzameld werk ii (Amsterdam 1955), p. 172-173.
7
Bibliographie de l’oeuvre de André Gide 1891-1924 (Brussel / Maestricht 1924).
8
De tekst van Gide werd met schitterende illustraties vormgegeven door Stols en in 1930 in 360 ex. uitgegeven bij de nrf. Als naam van de illustrator wordt vermeld A. Grinevsky, de vrouw van A. Alexeïeff (de Goeraëff uit Het land van herkomst), maar misschien heeft deze toneelspeelster alleen maar haar naam gegeven en is het werk van haar man.
9
Journal, Pléiade, p. 880 (9 juni 1928); herz. ed. 1996-’97, dl. ii, p. 81.
10
C. van Dijk, Alexandre A.M. Stols 1900-1973, uitgever-typograaf. Een documentatie (Zutphen 1992), p. 100.
11
Ernst Robert Curtius, Die literarischen Wegbereiter des neuen Frankreich (Potsdam 1919), p. 43-79.
12
Sybrandi Braak, André Gide et l’âme moderne (Amsterdam 1923) [diss. Amsterdam].
13
Menno ter Braak, ‘Gide’s christendom’, in Het Vaderland, 5 september 1937 (vw iv, p. 120-126, citaat op p. 121).
14
Gide gebruikte hiervoor zelf de term mise en abyme al in 1893 (Journal, p. 41; herz. ed. 1996-’97, dl. i, p. 171).
15
Geannoteerd door R.G. van Nieuwkuijk.
16
De film L’enfant sauvage van François Truffaut (1970) gaat impliciet in discussie met deze opvatting van Gides novelle. De vermenselijking van Gertrude door de dominee leidt tot zijn eigen vermenselijking en vervolgens tot haar dood. Tegenover de piëtistisch-sentimentele aanpak van de Zwitserse dominee stelt Truffaut de gevoelloze mechanistische aanpak van de ‘wilde jongen van Aveyron’ door de beroemde dr. Itard. Voor deze problematiek, zie Roger Shattuck, The forbidden experiment. The story of the wild boy of Aveyron (New York 1980).
17
S. Dresden, Symbolisme (Amsterdam 1980), p. 247.
18
S. Dresden, Symbolisme, p. 173.
19
Vgl.Journal, p. 671.
20
Corydon was al in 1911 in een minimale oplage onder vrienden verspreid.
21
Journal, p. 771-772; herz. ed. 1996-’97, dl. i, p. 1234-1237.
22
Gerard Bruning, ‘Van André Gide tot André Breton’, in De Gemeenschap 2 (1926), p. 53-66, 98-108, 129-143.
23
Menno ter Braak, ‘Aanklacht en heimwee’, in De Vrije Bladen 7 (1930) juni (vw i, p. 379-386, citaat op p. 383).
24
Matthijs Vermeulen, Recensie van André Gide, Les Faux-Monnayeurs en Journal des Faux-Monnayeurs, in De Gids 1927, p. 456-466.
25
Journal des faux-monnayeurs (Paris [1995]), p. 96.
26
H. [Dr. Hector Eli Henry] van Loon, ‘Gide als Proteus en apostel’, in Den Gulden Winckel, juli 1929, p. 177-180.
27
Dr. J.F. Otten, ‘Gide zestig jaar: zijn werk “dialectisch” belicht’, in Den Gulden Winckel, november 1929, p. 296-297.
28
Journal, p. 56; herz. ed. 1996-’97, dl. i, p. 185.
29
Het verscheen in Den Gulden Winckel van 20 februari 1930 (p. 32-36), maar staat in iets andere vorm ook in vw ii, p. 180-191.
30
H. Marsman, De lamp van Diogenes (Utrecht 1928), p. 65 (in een stuk over Blaise Cendrars). Marsman publiceerde overigens in 1935 zijn vertaling van de bron van al dit kwaads als De immoralist, een veel verkochte Salamander. Erg principieel kan men zoiets niet noemen, misschien wel Gideaans. Menno ter Braak plaatste L’immoraliste op zinvolle wijze naast Der Tod in Venedig in zijn bespreking van Marsmans vertaling: ‘Ik loof U, o Heer’, in Het Vaderland, 29 december 1935 (vw vi, p. 21-26).
31
H. Marsman, [Bespreking van] E. du Perron, Poging tot afstand. A.A.M. Stols, Brussel en Maastricht, 1928. In: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 8 juni 1929. Het artikel staat met zijn vervolgen in H. Marsman, Verzameld werk (Amsterdam 1972), p. 480-485.
32
Jacob Hiegentlich, ‘André Gide’, in De Nieuwe Gids 44 (1930), p. 290-295.
33
Dirk Coster, Verzamelde werken (Leiden 1967), deel vi, p. 250-266.
34
Dirk Coster, vw vi, p. 265.
35
Meia Albarda, André Gide et son journal (Arnhem 1942) [diss. Groningen].
36
Journal, p 729-730; herz. ed. 1996-’97, dl. i, p 1170-1171.
37
Douwe Fokkema en Elrud Ibsch, Het modernisme in de Europese letterkunde (Amsterdam 1984), p. 147-179.
38
Fokkema-Ibsch, Modernisme, p. 177-178.
39
Aart van Zoest, ‘Gide, maître à penser’, in Vrij Nederland, augustus 2001, ook op internet: http://www.new-moon.nl/ergosum/literatuur/gide.php.
40
Ondanks Gides eigen nomenclatuur (‘traité’, ‘récit’of ‘sotie’; Les faux-monnayeurs is zijn enige ‘roman’) is de titel van het Pléiade-deel: Romans, met slechts als ondertitel: ‘Récits et soties. OEuvres lyriques.’