Over dit hoofdstuk/artikel

August Hans den Boef

over Frans Coenen


+
August Hans den Boef (1949) is docent aan de Hogeschool van Amsterdam. Hij publiceert regelmatig over Nederlandse en buitenlandse literatuur.
1
Waaraan lijdt Louise Diefenbach nu precies? Coenen doet alle moeite om aan te tonen dat ze niet leed aan de zwakke fysieke en psychische gezondheid waaraan de meeste van zijn scheppingen te gronde gaan. Aan Frouke Hut dank ik de informatie dat Coenens weinig systematische beschrijving van het ziektebeeld doet denken aan het syndroom van Stein-Leventhal, een polykysteus ovariumsyndroom. Pikant in relatie tot Le Roys verzameling is dat de bijbehorende eierstokafwijking in het Frans wel genoemd wordt ‘des ovaires de porcelaine’. Er is daarbij sprake van verhoogde spiegels van androgene hormonen: testosteron en aanverwante. Daardoor ontstaan vetzucht en hirsutisme (mannelijk beharingspatroon). Andere symptomen kunnen clitorisvergroting en stemverlaging zijn. Een belangrijk symptoom is onvruchtbaarheid. Het syndroom heeft geen negatieve uitwerking op de borstomvang, vandaar Louises mogelijkheid tot een opvallend decolleté. De continue stimulering met oestrogenen zou borstkanker kunnen bevorderen. Verdere mogelijkheden zouden kunnen zijn een androgeenproducerende tumor van de bijnier of een hypofysetumor.
De vader van Abraham Willet was een bekende society-arts, net als die van zijn literaire pendant. Maar het specialisme van Willet st. was gynaecologie. Merkwaardig dat Coenen dit gegeven niet heeft gebruikt in de beschrijving van Louises angst voor de ontdekking van haar gebrek. (Zie: P.E. Treffers, e.a. (red.), Obstetie en gynaecologie. De voortplanting van de mens. Utrecht 1993, p. 541-545.).
2
Coenen heeft tijdens het schrijven niet direct voor de namen Le Roy en Diefenbach gekozen. LeRoy (aanelkaar geschreven) heeft hij in het begin van het manuscript nauwkeurig over een naam gepend die ‘Leenders’ of iets vergelijkbaars zou kunnen zijn. Over het feit dat onder Diefenbach de naam Meerhuysen (later Meerhuisen) stond, bestaat zekerheid doordat Coenen één geval over het hoofd heeft gezien en niet gecorrigeerd. Zo ook met de naam Hendtina voor Louise (soms Louisa). De naam Bekking zou oorspronkelijk misschien Bekker of zelfs Dekker kunnen zijn. Waarschijnlijk besloot Coenen tot Diefenbach omdat Meerhuysen te veel op Holthuysen leek. Het handschrift van Frans Coenen is overigens voor een niet-handschriftkundige erg moeilijk te lezen. Het manuscript van Onpersoonlijke herinneringen is, evenals Coenens dagboek en zijn brieven, te taadplegen in het Letterkundig Museum te Den Haag.
3
In informatiemateriaal van het Museum Willet-Holthuysen wordt Coenens roman tegenwootdig als historische bron beschouwd. Zie daarnaast J. Fontijn en G. Lodders, Frans Coenen (Engelbewaarderdeel 20, 1981), p. 175. Overigens behandelen zij Onpersoonlijke herinneringen, net als Coenens overige werk, zeer degelijk en informatief
4
Frans Coenen, ‘Geschiedenis van het huis’. In: Catalogus van kunstvoorwerpen der verzameling-Willet-Holthuysen. Amsterdam 1901, p. 1-2, Frans Coenen, ‘Het huis’. In: Het museum Willet-Holthuysen. Kleine studies in verband met de verzameling-Willet over glas, ceramiek, zilver enz. Amsterdam 1906, p. 1-11, en Frans Coenen, ‘Het museum Willet-Holthuysen.’ In: Boon’s geïllustreerd magazijn, jrg. 12 (1907), nr. 9, p. 478-489.
5
F[rans] C[oenen] Jr., ‘Het museum Willet-Holthuysen.’ In: Woord en beeld. Geïllustreerd maandschrift, september 1896, p. 295-298. Ook opgenomen in Fontijn/Lodders, p. 165-170.
6
Frans Coenen, ‘Het museum Willet-Holthuysen.’ In: Boon’s geïllustreerd magazijn, jrg. 12 (1907), nr.9, p. 478-489, en Frans Coenen, ‘Het museum Willet-Holthuysen’. In: De Amsterdamsche Dameskroniek, 7-4-1917.
7
Zie noot 5.
8
Zie noot 4.
9
[Frans Coenen jr.], Catalogus der bibliotheek van het museum Willet-Holthuysen. Amsterdam 1896. Voorwoord D. Franken Dz.
10
Zie vorige noot.
11
M. ter Braak, ‘De Onpersoonlijke Coenen’. In: Het Vaderland, 18-4-1937. Ook in M. ter Braak, Verzameld Werk, deel 6, p. 377-382. Fontijn/Lodders noemen Onpersoonlijke herinneringen zelfs ‘zuiverder naturalistisch dan al het vroegere werk’ (p. 170).
12
In het manuscript stond eerst: ‘vanzelf’.
13
Zie noot 5. Ook Fontijn/Lodders signaleren deze fout (p. 166).
14
Afgezien van ‘Ik denk dat het huwelijk een zekere opschudding verwekt heeft’ op p. 69. (cursief AHdB)
15
D.A.M. Binnendijk, ‘Coenen’s nalatenschap.’ In: Groot-Nederland, jrg. 35 (1937), p. 354-358.
16
Frans Coenen, ‘Onze grachtenaristocraten.’ In: De Nieuwe Amsterdammer, 12-4-1919.