Over dit hoofdstuk/artikel

Donald Betlem

over Willem Frederik Hermans


+
Donald Betlem (1937) is als docent Nederlands en Algemene Taalwetenschap verbonden geweest aan verschillende onderwijsinstellingen. Hij publiceerde eerder over Hermans (in Merlyn en Raster) en Elsschot (in Het Oog in ’t Zeil).
1
Een aparte plaats wordt ingenomen door het proefschrift van Wilhelmina Johanna Kamminga, Onderzoekingen over de vorming van N-pyridyl-pyridiniumverbindingen, de dissertatie uit 1943 van de vriendin van Hermans’ overleden zuster Corrie. Hermans, die ‘An’s’ paranimf was bij de promotie, kreeg vanzelfsprekend ook een exemplaar en zat op 21 juli 1943 aan bij het promotiediner. Op het menu stonden: ‘Hors d’oeuvre – Croquet – Soep – Ossehaas à la jardinière – Aardappelen – Pudding – Koffie – Gebak’. Het met de hand en op zijn naam uitgeschreven menukaartje bewaarde Hermans in het boek.
2
Hermans heeft zich vaker (terloops) over de invloed van deze oom uitgelaten, onder meer in 1962, in een gesprek met Hans van Straten (gepubliceerd in Ze zullen eikels zaaien op mijn graf, Amsterdam 1995).
3
Onder andere het Leidse antiquariaat Aioloz bood (in februari 1996) een boek uit Hermans’ nalatenschap aan dat naar alle waarschijnlijkheid eerder aan ‘oom P.C.’ had toebehoord. Ook dit bevatte correcties en (filosofische) aantekeningen.
4
Wie in die tijd naast Het Parool ook Hollands Diep las, kon een aanwijzing (maat geen zekerheid) omtrent Hermans’ reisbestemming krijgen (zie noot 5).
5
Zowel in Hermans’ reisprogramma als in een artikel in Hollands Diep van 10 april 1976 (tevens gepubliceerd in Ik draag geen helm met vederbos, p. 125-34) wordt die excursie vermeld. In het artikel echter zonder duidelijke tijdaanduiding.
6
Op de plattegrond van Bazel in zijn Guide Bleu van Zwitserland (Hachette 1982) noteerde Hermans op welke adressen Nietzsche en zijn vrienden gewoond hadden, zoals: Spalentorweg 2, Schützengraben 47 (het zogenaamde ‘Baumannshol’), Gellertstraße 22, Bachlettenstraße 11 en St. Alban Vorstadt 64 (waar Jacob Burckhardt woonde). Ook hier maakte hij foto’s van de huizen.
7
Ook F. Ruiter en W. Smulders wezen al, in een iets ander verband, op de onduidelijkheid in Hermans’ houding tegenover Nietzsche (De literaire magneet. Essays over Willem Frederik Hermans en de moderne tijd, Amsterdam 1995, p. 36, noot 31).
8
Oskar Panizza, Aussprüche, (Berlin) 1929. (Erste Veröffentlichung der Panizza-Gesellschaft in Berlin, 500 Exemplaren).
9
Over het dubbelgangersmotief in De donkere kamer van Damokles is veel geschreven. Het komt onder andere ter sprake in: D. Betlem, ‘De geboorte van een dubbelganger’, Merlyn jg. 4 (1966), nr. 4, p. 276-290; idem, ‘Van Jean Paul tot Van der Waals. Nogmaals “De geboorte van een dubbelganger”’, Raster jg. 1 (1967-1968), nr. 1, p. 71-93; G.J.P. van Hoek en C.B.M. Wingen, ‘De donkere kamer; perspectief en interpretatie van het gebeuren in De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans’, De Nieuwe Taalgids jg. 67 (1974), nr. 2, p. 89-118; Frans A. Janssen, Over De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans, Amsterdam 1978 en W.H.M. Smulders, De literaire misleiding in De donkere kamer van Damokles, Utrecht 1983.
10
Een indrukwekkende rij dichters en schrijvers werd door Goethes Faust ingrijpend beïnvloed, vooral in Frankrijk: Gérard de Nerval, Théophile Gautier, Charles Nodier, George Sand en Gustave Flaubert bijvoorbeeld maakten vertalingen of bewerkingen van het gedicht of namen er motieven uit over. Mephistopheles bracht in de negentiende eeuw tijdens de Franse Romantiek zelfs een complete Satansrage op gang, ook onder schilders en componisten, die de duivel als een positieve inspirator ondergingen. Rudwin (The Devil in Legend and Literature, 31983, p. 244) zegt: ‘Goethe, in his youth, looked upon Lucifer as the author of all creation?’
11
Voor de goede orde: ik heb hier meer en vaak ook andere regels geciteerd dan Hermans deed, omdat ik meende dat niet iedereen de inhoud van Byrons gedicht meer even helder voor de geest zou staan. Een paar door Hermans overgenomen citaten zijn: ‘We are the fools of time and terror: / Days steal on us, and steal from us; yet we live, / Loathing our life, and dreading still to die?’ Manfreds leven is ‘The burning wreck of a demolished world’ en zijn aspiraties ‘have only taught him what we know – / That knowledge is not happiness, and science / But an exchange of ignorance for that / Which is an other kind of ignorance.’ De hiervéér geciteerde vertalingen van de versregels zijn afkomstig uit Gedichten van Lord Byron door J.J.L. ten Kate. Eerste volledige uitgave, Leiden (1870). De uitgave is echter allesbehalve volledig, want de naar zijn smaak te ‘helse’ taferelen heeft de vertaler eruit weggelaten.
12
Ahriman, ook Ahra Manyoe genaamd, verdient enige extra aandacht. Hij is in de Oud-Perzische religie de belichaming van de boosheid en de duisternis en is in een voortdurende strijd gewikkeld met de hoogste goede geest, Ahoera Mazda, een strijd die de kern vormde van het Zoroastrisme. De profeet van Ahoera Mazda was Zoroaster of Zarathoestra, die volgens de traditie ooit bijna door Ahriman verleid werd tot een duivelsovereenkomst, waarschijnlijk het oudst bekende voorbeeld van dit gegeven uit de literatuur.
13
Er is hier een verschil: Osewoudt en Cleever zijn eenzaam uit onmacht, Manfred is het uit hoogmoed.