In 1944 organiseerde de Haarlemse wijnhandel Wed. G. Oud een dichterswedstrijd, waarbij 13 dichters in totaal 23 gedichten schreven en daarvoor rijkelijk met flessen wijn werden beloond. Hieronder volgen alle ingezonde gedichten, gevolgd door het beoordelingsformulier en de ranglijst.
(Bijlage bij het artikel ‘“Nederlandsch gezant van Bacchus”. Een dichterswedstrijd in oorlogstijd en de breuk tussen Werumeus Buning en Nijhoff’ van Greetje Heemskerk in De Parelduiker 2026/1)

A. Wijn
Toen heel de wereld onderging
In God’s verbolgen regen
Heeft Noach als uitzondering
Een levensvocht gekregen,
Dat dronk hij met bewondering.
Homerus dronk ’t en Socrates
Verscheen op drinkgelagen;
Horatius greep naar de flesch,
Vond heul voor alle plagen
Bij ’t sap der wingerdbes.
In China gaf ’t aan Li-Tai-Peh,
Aan Hafis bij de Perzen
Het koningschap der geestdrift mee;
Het inspireerde verzen
Van wereldzee tot wereldzee.
Omdat dit levenskrachtig sap
Den zondvloed heeft verdreven,
Verdrijft het al wat half en slap
En bloedeloos wil leven
In ’t land van zoetemelksche pap.
Voor wie geen ziel heeft is ’t venijn,
Verboden is ’t voor stichters
Van al wat nooit in tel zal zijn
Bij zieners en bij dichters,
Want zielskracht meet zichzelf aan wijn.
B. R.I.P.
Ween niet, Gij die over dit graf gaat,
Want het lichaam, erin verzonken,
Haatte water met doodlijken haat,
Heeft op aarde dit vocht nooit gedronken.
Het zou een stoornis van zijn slaap zijn
En zijn vagevuur noodeloos rekken
Als Ge in ’t graf hem, voor lavenden wijn,
Zoo’n verachtelijken dronk zoudt verstrekken.
(Naar Guy de Tours, ca. 1600)
C. Geen nihilisme
Wij staan aan de rivier.
Een trage rookpluim gaat er
Geduldig overheen.
De heele rest is water.
Wij zien de kale stad
Binnen den schilderijrand
Van groen en wolkenlucht.
De heele rest is weiland.
Wij voelen avondkou.
Het langzaam water ruischt er
Matglanzend onderdoor
De heele rest is duister.
Wij staren naar omhoog.
Tusschen de sterrenpracht vindt
Ons oog een nevelvlek.
De heele rest is nachtwind.
Wij zijn met ons bestaan
Vanavond zeer in onmin.
Een leegte grijnst ons toe.
De heele rest is onzin.
Wij worden plotseling
Getrokken door een lichtschijn.
’t Komt uit de sociëteit.
De heele rest moet dicht zijn.
Wij weten, dat daar nog
Een beker en een bord zijn.
Wij willen drinken tot
De dood ons smaakt als portwijn.
D. Naar Lessing
Een dichter, die na vele glazen
Nog telkens een ander vroeg,
Kreeg tot zijn onprettig verbazen
Te hooren: “Nu dronk je genoeg!”
Schoon half in verdooving verzonken
Verhief hij zijn stem en hij zei:
“Te veel heb ik mooglijk gedronken,
– Genoeg – ach, daar haalt het niet bij!”
E. De wijn
O schoone wijn der schoone uren,
O schoone troost in bitterheid,
uw Schepper leeft en laat u duren,
Hij schonk u halve eeuwigheid.
Hij leeft in u op Zijn altaren,
gespannen staat Hij in uw tros
en maakt met sap van druivelaren
de stroeve menschen mild en los.
Vervluchtigd is in u de aarde
en vluchtig wordt de reeë geest,
die reddeloos zich-zelf bestaarde
maar aan ùw vluchtigheid geneest
en opveert en des levens stroomen
met nieuwen toover voelt gevoed –
wie dorst heeft, heeft geen onderkomen,
de geest des wijns is overvloed.
Wie over ’t glas zijn lief zag lonken,
hij weifelt wáár hij ’t diepst fluweel,
uit glas of oogen, heeft gedronken:
o lafenis van hart en keel!
En ’t landschap, waar hij gulzig proefde
wat eendre zon tot weelde stooft,
den wijn die nimmer krans behoefde,
het lichaam dat zijn lust verhoogt,
hij zal het nimmermeer vergeten,
hij zal, totdat de doodsklok slaat,
karmijn of goud voorbeeldig weten
en één met bloeiend incarnaat.
O schoone wijn der schoone uren,
de wereld is zoo moe en oud,
maar langer dan háár geest zal duren
het wijnsap, in karmijn of goud.
F. Laatste wijn
Spaar mij uw laatste gekibbel
Om uitvaart en erfwet,
Vrienden, doch schenk mij ten afscheid
Bourgondischen wijn.
Fonkel dan, zon, in den kelk,
Bij den rand van mijn sterfbed,
Dat ik mijn God niet zal zien
Zonder dankbaar te zijn!
G. Voorlaatste wil
Neem mij, wanneer mijn tijd zal komen,
Mijn goed, mijn vrienden en mijn jeugd.
Neem mij mijn laatste dwaze droomen
En al wat vroeger daden heugt.
Maar laat mij als een laatst bezit
Die kleine wijngaard in het zuiden,
Het wrakke huisje blank gewit,
’t Bemoste dak begroeid met kruiden.
Laat mij op ’t hangende balkon,
Haast schuilgaand in den vloed der ranken,
Die opstijgt uit den tuin vol zon,
De rust op half vermolmde banken.
Laat mijn cipressen mij, hun stammen,
Waar kleine vogelstemmen zijn,
Staan recht en stil als kaarsevlammen
Om mijn bescheiden hof vol wijn.
Daar werk ik langzaam en gebogen
In ’t Eden van mijn druivenstokken.
De trossen hangen zwaar gewogen
Als duizend ongeluide klokken.
Uit aarde, lucht en zon gegloeid,
Door dauw gehard en afgekoeld,
Door vrome menschenhand besnoeid,
Groeit klok na klok op zijn gestoelt.
’k Ben schrijdend langs hun donk’re rijen
Een beiaardier, die zacht begon
Om stemmend klank aan klank te vleien
Van zijn nog zwijgend carillon.
Zoo trek ik door mijn kleinen hof,
Vergeet het voortgaan van den dag.
Reeds zie ik schaduw in het stof,
Waar straks nog gouden zonlicht lag.
Reeds rijpt de middag als mijn druiven
De beiaardier heeft haast gedaan.
Zijn klokken zwijgen, maar zijn duiven [sic]
Verkonden hem den avond aan.
En dan, ja dan aan ’t eenzaam maal
Krijgt plots’ling klank het volg gewas!
Der druivenklokken helle taal
Zwelt klinkend uit de kelk van ’t glas!
Van aller daden laatste gloed,
Van ’s levens wijn zoo vol zoo rood
Gonst orgelend als zingend bloed
Hun koor, het bevend hart te groot.
Hun stemmen zingen ongeteld
Hier juichend, ginds omfloerst vergaan.
De stormklok van de hartstocht zwelt
En sterft weer in een stil vermaan.
Zoo uit den hartslag van hun lied
Staat al wat was nog één maal op,
Vlamt ééns nog ´s levens gansch verschiet
Dan blijft één kleine helle klop±
Het armezondaarsklokje spreekt,
Zoo puur, zoo klaar, zoo troostend mild,
Dat geen zijn tinkelen meer breekt.
Nu lijkt het hart voorgoed gestild.
Zoo laat mij eenzaam in den nacht:
Een oud man bij zijn eigen wijn,
Die met gerusten glimlach wacht
Op ’t luiden van het laatste sein.
H. Van het water en van den wijn
Ik ken een liedeke hupsch en fijn
Dat zingt van het water en van den wijn.
De wijn kon het water niet lijden:
Men hoorde hen altoos strijden.
Toen sprak de wijn. “Ben ik niet fijn!
Men voert mij tot den kastelein
In alle ’s Heeren landen
In zijn kelder ben ik voorhanden.”
Toen sprak het water: “Ben ik niet fijn!
Wat zou een molenaar zonder mij zijn?
In alle ’s Heeren streken
Draai ik het rad door de beken.”
Toen sprak de wijn: “Ben ik niet fijn!to
Men schenkt mij in glazen en bekers klein,
Zoet, zuur en naar begeeren
Van boeren zoowel als heeren.”
Toen sprak het water: “Ben ik niet fijn!
Wat zou de keuken zonder mij zijn.
Men gebruikt mij onafgebroken
Bij wasschen en bakken en koken”
Toen sprak de wijn: “Ben ik niet fijn!
Zie hoe ik in den slag verschijn
Bij koningen en bij graven
Om hun den dorst te laven.”
Toen sprak het water: “Ben ik niet fijn!
Ik mag zelfs in de badkuip zijn
Waar de allerschoonste vrouwen
Zich aan mij toevertrouwen.”
Toen sprak de wijn: “Ben ik niet fijn!
Als Schout en Schepenen bij mij zijn
Gaan zij hun hoed afnemen
In den raadskelder te Bremen.”
Toen sprak het water: “Ben ik niet fijn!
Men giet mij in der vlammen schijn;
Men neemt de spuit in handen
Als huis en huisraad branden.”
Toen sprak de wijn: “Ben ik niet fijn!
Men schenkt mij aan den chirurgijn
Als hij iets moet genezen
Wat hij niet wist, voor dezen.”
Toen sprak het water: “Ben ik niet fijn!
Te Neurenberg aan de fontein
Spring ik zoo fier en losjes
Een meermin uit de borstjes.”
Toen sprak de wijn: “Ben ik niet fijn!
Ik spring uit een marmeren bronwel klein
Als, wie in Frankfurt wonen
Den Keizer daar gaan kronen.”
Toen sprak het water: “Ben ik niet fijn!
Er varen schepen, groot en klein,
Zon en maan op mijn straten;
Die eer moet gij mij laten.”
Toen sprak de wijn: “Ben ik niet fijn!
Zie hoe ik in de kerk verschijn,
Opdat ik kan verkeeren
In lichaam en bloed des Heeren.”
Toen sprak het water: “Ben ik niet fijn!
Men stort mij in den doopfontein;
Men dient met mij te doopen
En mag mij niet verkoopen.”
Toen sprak de wijn: “Ben ik niet fijn!
De wijngaard is mijn jeugddomein;
Daar laat ik mij hakken en houwen
Door mannen en schone jonkvrouwen.”
Toen sprak het water: “Ben ik niet fijn!
Ik loop daar over uw wortels klein;
Zou ik u niet besproeien,
Gij zoudt niet kunnen groeien.”
Toen sprak de wijn: “Gelijk gezegd:
Gij zijt de meester, ik ben de knecht:
Dat recht wil ik u laten.
Maar ga uw eigen straten.”
Het water sprak nog: “Als ik er niet was,
Dan had u de zon verbrand tot asch.
Zij wilden nog langer strijden,
Toen mengde de waard hen beiden.”
(Vrij naar “Des Knabes Wunderhorn”)
I. Op een wingerdblad
Eva droeg ranken en groen blad
Waar Adam zijnen wingerd had;
Daaraan is mensch en wijn ontsproten.
Wie spreekt er kwaad van wijngaardloten?
Uit deze gaarde kwamen wij,
Van dezen wingerd drinken wij,
Dit rest ons van het paradijs,
Wie zou dit haten? Mensch wees wijs:
Wie dit niet eert is vast gespuis
Erger dan slang en wijngaardluis.
J. Loflied op de wijn
Door Lieou Ling, naar Fransche vertaling van Sung-Nien-Hsu.
Daar is een groot, een opperst wezen.
Hem is de duur van hemel en van aarde
Eén etmaal; duizend jaar één oogenblik.
De maan, de zon: een venster en een deur.
De acht woestenijen: een portaal.
Hij reist, en laat geen spoor na van zijn raderen.
Hij heeft geen vaste woon: de hemel dient hem
Als tent, en de aarde tot een mat.
Hij leeft naar eigen welbehagen.
Wanneer hij rust, neemt hij een glas of beker.
Zoo hij zich verontrust, het is om wijn te koopen.
Hij denkt alleen aan drank, voorts raakt hem niets.
Jong edelvolk, en ook eerzame burgers,
Bespreken zijn gedrag, maken zijn doen
Tot onderwerp van twist, stroopen hun mouwen,
Hoog op, grijpen elkaar in ’t kleed.
Met woedende oogen, saamgeklemde tanden,
Geeft elk zijn zeedlijk oordeel: ’t vóór en tegen
Stijgt als een bijenzwerm.
Dan vult hij een karaf. De beker aan de mond,
Proeft hij de wijn. Dronken, de knevels óp,
Hurkt hij verachtlijk neer; zijn hoofd rust over
De gist, als waar ’t een kussen, of hij leunt in
De droesem. Hij denkt niets. Hij heeft geen zorg.
Zijn vreugde is grenzeloos. Nu dronken, dan ontnuchterd,
Hoort hij, zelfs als hij luitster, niets van donderslagen.
Zelfs als hij tuurt, ziet hij geen Taichan-berg.
Hij neigt het hoofd, ziet schepselen en dingen
Krioelen als de kringen op Kian en Han-rivier.
Twee forsche knechten aan zijn zijde, die hem dienen,
Ziet hij als wespen of als rupsen.
K. Drinklied
Als mij de zorg des levens plaagt,
– En plaagt zij mij soms niet? –
Dan wordt zij met de wijn verjaagd
En met een drinkerslied;
Dan zing ik met furoor
Tussen twee teugen door:
Het meisje waar ik het meest van houd,
Dat heeft een hart van zuiver goud;
Zij heet nu zus en dan weer zo:
Chianti, Bourgogne ofwel Bordeaux;
En om niet al te koel te staan,
Heeft zij een houten rokje aan;
Haar bed dat staat niet ver van hier,
In de kelder van den herbergier.
De vrienden rond haar voet geschaard
En door haar schoon bekoord,
Door hat noch ijverzucht bezwaard
Noch jalouzie gestoord,
Die zingen buiten kijf
Over hetzelfde wijf:
Het meisje waar ik het meest van houd,
Dat heeft een hart van zuiver goud;
Zij heet nu zus en dan weer zo:
Chianti, Bourgogne ofwel Bordeaux;
En om niet al te koel te staan,
Heeft zij een houten rokje aan;
Haar bed dat staat niet ver van hier,
In de kelder van den herbergier.
En als ik met de liefste drink,
Een glaasje, ’s avonds laat,
En onderwijl een oogje pink,
Dat zij alleen verstaat,
Dan zing ik niettemin.
– En zij stemt vrolijk in –
Het meisje waar ik het meest van houd,
Dat heeft een hart van zuiver goud;
Zij heet nu zus en dan weer zo:
Chianti, Bourgogne ofwel Bordeaux;
En om niet al te koel te staan,
Heeft zij een houten rokje aan;
Haar bed dat staat niet ver van hier,
In de kelder van den herbergier.
En als ik door de straten ga
Met mijn godin tesaam,
– De sterren schijnen voor en na
Zo dubbel en voornaam –
Dan zingt nog altijddoor
De wijngod in mijn oor:
Het meisje waar ik het meest van houd,
Dat heeft een hart van zuiver goud;
Zij heet wel zus en dan weer zo,
Maar heden nu eens niet Bordeaux;
En heeft zij ook een rokje aan,
Er is wel groter schip vergaan;
En staat haar bed niet ver van hier,
Dan groet ik u, o herbergier.
L. Het verleden van Silenos
Men fluistert, dat hij Dionysos was,
De oude dronkaard, in zijn jonge dagen.
Vraag het hem niet: hij zal uw rust belagen
Met zotteklap in ’t warme zomergras.
Hij zal u overreden, en u vragen
Wíe hier de meester is van ’t druifgewas;
En met hem drinkend uit hetzelfde glas
Zult gij ’t gelooven, uit het veld geslagen.
En twijfelt ge, wie dan? Waar is het kind,
Het godenkind dan, als ’t zich niet hier bevindt?
Ge zoekt, ge drinkt, en luistert, droomverloren.
En zoo begooch’lend is zijn roode wijn,
Dat dit uw slotsom enkel nog kan zijn:
Of hij, of ik, werd hier als god herboren.
M. Het paradijs
Zijn heil voor eenen appel geven,
O Adam, gij waart wèl onwijs!
Ik had in uw plaats moeten leven,
Dan bloeide ons nog het paradijs.
Maar ja; gesteld eens dat de wijn dan
Geweest was de verboden vrucht?
Het schijnt dat het niet anders zijn kan;
Ook ik was ’t paradijs ontvlucht.
(Vrij naar Gotthold Ephraim Lessing)
N. [zonder titel]
Heer Bacchus, naar de sage luidt,
Die nauwelijks voldragen uit
den hemel kwam gevaren,
Heer Bacchus daalde in een dal
waar wijnpapinnen, twaalf in tal,
met losgebonden haren
rondraasden bij het luw geluid
van de rinkelbom en de flierefluit,
en Heer Bacchus droeg een bokkehuid,
een bokkehuid met haren.
Zij boden hem den godendrank
van de wilde wilde wingerdrank
van toen nog twalef paren
van jonge borsten, blank en bloot,
en de wijn was wit en de wijn was rood
van de wilde wilde wingerdloot
en van tweemaal twalef borsten.
Wie zoo de melk drinkt, zoo den wijn
die zal eeuwig drinken en dronken zijn
en zegenen wie ze torsten.
Wie zoo den drank van druif en borst
gedronken heeft en niets vermorst,
God moge dien bewaren.
Heer Bacchus, wie het woord gelooft,
werd slapend van het land geroofd
en kwam op zee te varen.
Daar viel een doom als druivendauw
op nokkeval en ankertouw
en de zee was rood en purperblauw
en de wind kwam tot bedaren.
Alsof een fluit geen klank meer vond
en plotseling te bloeien stond
zoo rankte toen de wijnrank rond.
De wanten droegen wijn en
als dartele dolfijnen
behuppelden met speelsch gemak
het wijde wijde watervlak
wie net nog schippers waren.
En de zee lag blak en de schoot stond strak
en het schip bleef verder varen.
Heer Bacchus in uw bokkehuid,
uw bokkehuid met haren:
dat wie in Troje waren
met Charon moesten varen
daar is het niet mee uit.
Het vuur staat op de wallen,
nog menig huis zal vallen
en dreunen waar het viel.
Maar een schip vaart voort met een kind aan boord
en de wijn rankt om de kiel.
Wie den wijn bemint is een eeuwig kind,
een kind aan duizend borsten
in ’s werelds wijde druivengaard.
De beker bleef ons niet bespaard,
maar wat ij ook vermorsten
God laat ons niet verdorsten,
Hij schenkt ons beter wijn:
Heer Jezus, om Uw wonden
vergeef ons onze zonden
en laat ons kinderen zijn.
O. Lof van den wijn
Wie wijn wil drinken leeren,
Die moet in vreugd enleed,
Er dagelijks mee verkeeren,
Maar zoo dat God het weet.
’t Is al van God gegeven,
Wát dat men drinkt of eet,
Onzalig is het leven
Van hem die het vergeet.
God’s gaven goed te eeren,
Zoowel in vreugd als leed,
Leert ons met hem verkeeren
Als ieder zondaar weet.
Die dit lied heeft geschreven,
Is dankbaar voor zijn pijn,
God heeft hem leeren leven,
Hij laafde hem met wijn.
P. [zonder titel]
De stralende luchten omhuiven
Als trillend van de eigen begeert’,
Het gloeiende land van de druiven,
Waarboven de zon triomfeert.
Weldra wordt een oogst weer geborgen
In die ze eerst deed groeien, in de aard’,
Die haar, als het duister in de morgen,
In donkere kelders bewaart.
En de eenzame, die in gedachten
Naar zomer en zon neemt de wijk,
Drinkt later in winterse nachten
En donker én zon tegelijk.
Q. De drinker in Frascati
Gezeten in het wijnhuis met
De witte mergelmuren,
Spel ik de hangklok: nauwgezet
Verstrijken op metalen tred
De wijzers en de uren.
De wijn – paars in de rieten mand –
Hangt in mijn hand en schommelt;
Een klokkeslinger, die constant
’t Geschonken glas vult tot den rand,
Terwijl het stadje dommelt.
Daar rijst, achter de steile deur,
Bedwongen in haar sterkte
En in steeds wisselende kleur,
De bergenketen in mineur
Van het Albaansch gebergte.
De kimmen in verholen zwier
En daarin blauw geborgen,
Het huis, de wijngaard, de rivier…
Dat fonkelt in den morgen.
Een doek dat leeft! Een boerenvrouw
Sluipt met een ezelsveulen
Voorzichtig door het trillend blauw,
Of zij er iets in breken zou,
Of er iets in zou kreuken.
De wijn – paars in de rieten mand –
Hangt in mijn hand en schommelt:
Een klonkkeslinger, die constant
‘Geslonken glas vult tot den rand,
Terwijl het stadje dommelt.
Hij nestelt zich in hoofd en hart
En broedt op oude droomen,
En al wat mij eens werd beloofd
Als kind, voel ik door hart en hoofd
Gevleugeld voorwaarts stroomen.
O, schoone vleugelslag van al
Wat eens in mij verruischte…
‘k Voel de cypressen in het dal
Als zwarte vlammen, lang en smal,
Zich ballen in mijn vuisten.
Verzadigd sta ik op en dank
Den Heer voor het verleende;
Dan loop ik naar buiten naar de bank;
Mijn schaduw en een wingerdrank
Wiegelt op het gesteente.
R. Op het terras
Boordevol bloemen staan hier de gazons,
En het stadsparkje is haast overdreven
Volgeplant met tijm en rozen die even
Trillen, gehuld in warm bijengons.
Op het klein terras vermeien wij ons,
Door ons met de blikken over te geven
Aan de fleur van het voorbijglijdend leven:
Vrouwen, blond en zacht als perzikedons.
Het carillon klinkt zooals glazen klinken,
Wanneer wij lachend, op elkanders heil,
Den wijn in lange en diepe teugen drinken.
En als in een roos, zoo verrukt en ijl,
Gaat, nu de eerste avondsterren blinken,
Het stadje, rozen-omgeurd, onder zeil.
S. Heil ’t wapengekletter
Heil ’t wapengekletter van rinkelende flesschen!
Heil tonnen en oxhoofden donkerrood vocht!
Dát zijn eerst kanonnen! Daarmee schiet ik bressen
In ’t fort van de Dorst, waar ‘k mijn ziel aan verkocht.
Hoe dwaas om niet liever het hoofd zich te breken
In de roes van een bijna onneembaren wijn
Dan dat men het blootstelt aan slagen en steken
Alleen om roemzuchtig gesneuveld te zijn!
Is de kop soms wat dompig na te veel drinken,
Men houdt hem toch óp en hij blijft onverlet.
Weldadige slaap doet de pijn schielijk slinken,
Doch wie heeft van ’t slagveld zijn hoofd ooit gered?
Steek rustig uw neus in een fonkelenden beker,
Daar veiliger dan onder ’n krijgshelm verkapt.
Die achter ’n banier doolt is ’t leven min zeker
Dan wie naar een takkenkroon speurt waar men tapt!
Veeleer dan de wacht op een wal te betrekken,
Slurp ‘k zoete muscaat bij een koesterend vuur.
Beter laat ge daarbinnen uw dorst niet begekken
Dan dat gij droogkeels triomfeert op een muur!
(Naar Olivier Basselin, ca. 1400)
T. Tot den wijn
Wees, bleek als de ochtend, mijn genoot,
Of laaiend als het avondrood,
Gij, die uit zon geworden zijt
Tot zichtbare doorzichtigheid,
Waar aardes geur en hemels licht
Zich in verdichtten tot gedicht,
Gij die, ontstegen aan den grond,
Daarin uw aard en aanleg vondt,
Maar zijt gezuiverd in het vuur,
Dat neerruischt uit het middagsche uur,
Gij die ons wekt en medevoert
Tot alles, wat het hart ontroert,
Die op den bodem van het glas
Doet vinden, wat onvindbaar was,
Uit wien, toen ‘k om uzelf u zocht,
Ik nog de gave ontvangen mocht
Van wat uw zoete stem bedenkt,
Als men haar zijn vertrouwen schenkt,
Door wien ’k aan ’t Leven mij beschonk,
Toen ik mijne eerste flesch met volle teugen dronk.
En overal, mijn dagen door,
Zocht ik uw sprokegeurig spoor,
Alom, waar gij mij hebt gelokt,
Waar gij mij bracht of tot U trokt:
Naar Oost en West, naar Noord of Zuid,
Het zeegat in, het zeegat uit,
Naar alle landen, waar gij woont
En dagelijks den arbeid loont,
Door oerwoud en langs weidezoom
Volgde ik uw afgezant, den Droom.
En zoo is ’t aan mij klaar gespeeld,
Dat mj de wereld werd tot beeld,
Dat stuk voor stuk aan snoeren ik
De parel reeg van ’t oogenblik,
Dat zich mijn uren stuk voor stuk
Tot iets volmaakten van geluk,
Dat iets van de opdracht me is vervuld,
Die inhoudt, dat ge leven zult.
Want voor wat niet is van het bloed
Hebben wij immers nog eene eeuwigheid te goed?
Maar nu, dat gij mij eenzaam ziet,
Verlaat mij, ach, verlaat mij niet,
Mijn bondgenoot uit vroeger tijd,
Die nog mij tot vertrouwde zijt,
Als in mij de gedachte schreit.
Gij, die in ons de vriendschap teelt,
Het hart verkwikt, zijn wonden heelt,
Mij het verhaal doet van mijn jeugd,
Veel aardiger, dan mij dat heugt,
Gij die genezing brengt in leed,
Veel beter, dan het iemand deed,
Als gij mij zegt, hoe gij nog weet,
Dat eens met een beminden mond
Tezamen ik uw zachtheid vond,
En dat uw ijle duizeling
Daarbij tezamen ons beving.
Mijn metgezel, waar zijt ge nu?
Wat scheidt, wat houdt mij af van U?
’t Is me, of uw verre stem mij roept,
Nu ik mijn laatste flesch, eilacy, heb versnoept.
U. De wijn van den dichter
Ik had mijn werklamp aangedaan,
gesloten het gordijn,
had mij tot schrijven neergezet
en ’t glas gevuld met wijn.
Geruimen tijd zat ik in droom,
zoodat ik niets bedreef
dan zien naar ’t vuur der cigaret
en de asch die overbleef.
Toen scheurde ’t onvoltooide boek
de stilte die me omspon:
– “Schrijf”, riep het, “schrijf. Wie mij verzaakt,
verzaakt het Parthenon.” –
En terwijl ik, beschaamd ontwaakt,
haastig greep naar mijn pen,
verhief de onaangeroerde wijn
aldus tot mij zijn stem:
– “Twee schreden deed de mensch, sinds hij
zijn schepper waardig is.
Het spoor der eerste schrede toont
de Atheensche Acropolis.
Daar klonk het “ken uzelf”. Sindsdien
rijst niets naar het azuur
of vrije geest verwekte ’t uit
de schoot van de natuur.
In ’t land waar ik vandaan kom, deed
de mensch zijn tweeden stap,
toen daar vrijheid gelijkheid werd,
gelijkheid broederschap.
Dit alles is begin. Nog dient
een derde stap gedaan.
Die zult ge doen als gij mij drinkt
en ’t boek voltooit. Vang aan.” –
V. Lied in oorlogstijd bij een glas schralen wijn
Grijs en onhoorbaar ketent
zich de avond aan het plein;
ik zit, den tijd vergetend,
alleen bij een glas wijn,
bij wijn, die mij verteerbaar,
schraal, onvolwassen is,
nochtans een zeer waardeerbaar
vertrooster in gemis.
Waar zijt gij, nobele flesschen,
Pommard en Clos Vougeot,
en gij, mijn dorst te lesschen
keurbende van Bordeaux?
Bij Cantemerle, Montrose,
merken, waarvan men sprak,
gij edele, uitverkozen
Brane de Cantenac?
Mocht ik U in deez’dagen
weerzien, dan zag ik U
het laf geprots verdragen
van prol en parvenu,
van eenen Vlot van Wafel,
een prins zwart handelaar,
opsierende zijn tafel
met – weet hij veel – Pommard.
Grijs en onhoorbaar ketent
zich de avond aan het plein,
waar ik, mijn tijd vergetend,
terneêrzit bij mijn wijn,
en denk: het eind zal komen,
geen oorlog duurt voorgoed,
al vloeit alom bij stroomen
als roode wijn het bloed.
Ik zie U weer, mijn vrinden;
als ik naar Frankrijk keer,
zal ik dáar stellig vinden
al wat ik híer ontbeer.
Er gaat een kelder open
in Beaune of Sornay,
opdat ik mij kan doopen
met Vosne-Romanée.
Ik zie U weer, mijn vrinden,
Chablis, Corton, Fourcas,
ik zal U alle vinden
en proeven voor en na.
Maar hoeveel ik verwerve,
klinkend met waar en buur,
wat ik voorgoed moet derven
weet ik dit eenzaam uur:
de vrinden, die waardeerden
als ik het goede glas,
die vrinden, die niet keerden
nadat het vrede was…
Aan hen zal ‘k moeten denken,
wanneer in vrijheids naam
weer wijnen zijn te schenken
van uitgelezen faam,
wanneer, gloedvol en klankrijk,
geurend en metterdaad,
de volle wijn van Frankrijk
weer in de glazen staat.
W. Litanie van edele Roemers
Het eerste glas leeg ik behoedzaam,
het tweede met innige teugen,
het derde is lavend en voedzaam,
‘k Laat roekeloos ’t vijfde nu vloeien
en het zesde niet minder behendig.
Een zevende dronk doet mij gloeien
en een achtste doorwarmt mij bestendig.
Het negende klokt onbedaarlijk,
tien en elf giet ik broederlijk samen.
Het twaalfde opeens smaakt gevaarlijk
en ’t dertiende schijnt zich te schamen.
Het veertiende glijdt op mijn wenken,
de vijftiende ronde is een snelle.
Ga voort, o ga voort mij te schenken:
Die volgen kan niemand meer tellen.
Dra breken de wolken daarboven.
Uit ’n geurende kelder verrezen
schijnt de zon in de fonkelende hoven,
keert de ziel zich verrukt tot haar wezen.
Vervuld van zijn weergaloos stralen,
Als in zoete omhelzing van minnen
keur ik goed elke proef te herhalen
en verjongd weer opnieuw te beginnen.
En het eerste glas leeg ik behoedzaam,
het tweede met innige teugen,
het derde is lavend en voedzaam
doch het vierde schenkt enkel verheugen!
Beoordelingsformulier en ranglijst

De auteur van het artikel heeft van de meeste rechthebbenden toestemming voor publicatie op deze website gekregen en daarnaast alle mogelijke moeite gedaan voor de overige rechthebbenden een en ander auteursrechtelijk correct af te wikkelen. Mocht een rechthebbende zich niettemin in zijn belangen geschaad voelen, dan verzoekt De Parelduiker hem of haar contact op te nemen met De Parelduiker om tot een correcte afhandeling van zaken te komen.

